Repetitie dagboek Morgana Kamerkoor Den Haag

repetitie dagboek Morgana Kamerkoor Den Haag

Op deze pagina een log- of blogboek van dirigent Taco Sorgdrager, over het reilen en zeilen tijdens de koorrepetities, aangevuld met gedachten en beschouwingen over koorzang, muziek of ander zaken.

Dit “dirigentenlogboek” is per september 2008 van start gegaan, d.w.z. met ingang van het 2e seizoen.

 

31e koor-repetitie: 27 april 2009

Vanwege de meivakantie een licht uitgedunde bezetting vandaag. Ingezongen met o.a. een dalende majeur toonladder op de tekst “Cre-do in u-num Deo“, waarbij de vraag rees of het niet “De-um” moest zijn. Nou, mijn Latijn moet het niveau van potjes nog halen, dus nu heb ik achteraf moeten vaststellen dat ik een fout heb gemaakt in de tekst, en dat het inderdaad “Deum” moet zijn. Met dank aan Willem, die dit soort dingen altijd gewoon weet.

Begonnen met het Kruisvaarderslied: 1 keer uit het hoofd, dan een keer met spieken, dan weer uit het hoofd. Een beroep gedaan op het gezamenlijk musiceren, d.w.z. goed naar elkaar luisteren, om vooral zo exact mogelijk in hetzelfde tempo te blijven.
Daar werd op gereageerd met de opmerking dat er soms een aarzeling optreedt omdat er gewacht wordt op een motief, een riedel of een toon in een andere stem, die dan niet op het moment komt dat je hem verwacht. En dat is interessant. Want andersom zal het ook zo zijn, dat juist die andere stem wacht op een motief, riedel of toon van jou. Op het moment dat de één de teugels inhoudt om op de ander te wachten, houdt de ander ook in. En dan onstaat er ten eerste vertraging, en ten tweede ongelijkheid in het plaatsen van de noten in de maat.
Als koorzanger moet je dus nooit wachten op de ander, maar steeds zelf het initiatief nemen om in de maat te zingen. Op andere gebieden in het leven werkt het ook zo dat degene die initiatief neemt gevolgd wordt. Dat is echt heel interessant, zeker als je het toepast als zanger in een koor. Want als alle zangers zoveel mogelijk zelf het initiatief nemen om ‘in de maat te zingen’ in plaats van op de ander te wachten, dan zal er loepzuivere gelijkheid ontstaan. En daar willen we natuurlijk naar toe.

Dan stond groot onderhoud aan het Credo van de Choral-Messe op het programma. Was nodig ook, want het rammelt nog aan alle kanten. Daarom steeds fragmenten van een paar maten steeds 5 keer herhaald, of bepaalde overgangen steeds heen en terug gezongen, zoals de overgang van G-groot in maat 44 naar Es-groot in maat 45. Op die plek begint het Adagio op de tekst “Et in carnatus est”. Het gevaar van de overwegend 1 lettergreep-per-noot-muziek hier is dat er van de ene noot naar de andere wordt ‘gehakt’, zodat er een onderstroom van onrust in ontstaat. De grote lijn zingen, in blokken van 4 maten, dat moet er in zo´n geval gebeuren, en niet de noten één voor één achter elkaar zetten als losse brokjes, die geen geheel meer lijken te vormen.
Het is net als in de trein zitten en naar buiten kijken. Als je dan je blik richt op voorwerpen dichtbij de trein i.p.v. ver weg, zie je de grote lijn niet meer, maar onrustige details. In de muziek werkt dit dan ook nog eens zo, dat waar je je (innerlijke) blik op te richten hebt, afhangt van de snelheid waarmee je beweegt. Heeft de muziek die je zingt een langzaam tempo, dan kun je je innerlijke blik het beste ver weg richten, alsof je naar de horizon kijkt. Is het tempo snel, dan kun je beter je innerlijke blik dichtbij jezelf richten. Goed, deze gedachtegang komt niet helemaal uit de verf. Misschien kan ik hem later nog eens opzoeken, en ben ik dan in staat er beter naar te luisteren. Nu kom ik er niet helemaal in.

Plaats een reactie via de spiegelpagina op het Wordpress-blog

↑↑

 

29e koor-repetitie: 6 april 2009

Het Kruisvaarderslied van Walther von der Vogelweide uit het hoofd gedaan, en lopend door de zaal, als een soort processie. Daarbij moesten de koorzangers stappen zetten op het tempo van de muziek. Opvallend daarbij was, dat het zingen van de noten ondergeschikt raakte aan het plaatsen van de voeten, zodat het doorstromen van de muziek op elk maatdeel een klein beetje stokte, ingehouden werd. Eigenlijk had het andersom moeten zijn: Het tempo van het zingen zou de voeten mee moeten trekken. Nu was dat niet zo, zodat er steeds een minimale vertraging optrad bij de noten die op de tel vallen. Multitasking valt nog niet mee, zullen we maar zeggen.

Cædmon´s Hymn heb ik opgedeeld in 5 delen, om het repeteren iets overzichtelijker te maken. Vandaag was deel 3 aan de beurt. Intussen heb ik aan Peter Bird ook de datum van ons concert doorgegeven. Hij is natuurlijk heel benieuwd, maar zal er niet speciaal voor uit Amerika overkomen. Ook was hij nieuwsgierig naar mijn interpretatie van het stuk. Slik: ik zal al blij zijn als we het zonder al te veel kleerscheuren over het voetlicht kunnen brengen. We zullen zien. Ik wou dat we nog wat meer repetities over hadden.

Tenslotte nog het Agnus Dei uit de Choral-Messe gedaan. Daar zijn ook interessante waarnemingen aan te doen op zang-technisch gebied. Neem bijvoorbeeld de tekst “Qui tollis peccata mundi”. Bruckner heeft de meeste lettergrepen van deze tekst noten gegeven op de zware maatdelen. Elke lettergreep is dynamisch beklemtoond. Luister maar:

Dit fragment staat hier uitsluitend voor educatieve doeleinden, zodat de koorleden feedback krijgen en iets kunnen leren. Wat horen we in dit fragment?

Ten eerste dat de eerste medeklinker “Q” van het woord "“Qui” een muur lijkt waar men niet overheen dreigt te komen. Om het anders te zeggen: het vormen van de Q als klank gaat gepaard met zoveel spierspanning en nadruk, dat de feitelijke hoogte van de toon alleen met een opwaarts glissando (te laat) wordt bereikt.
De Q hangt als een blok aan de benen van de klinkers U en I die erna komen, en waarop pas echt gezongen kan worden.
Dit is een beetje als bij mensen die overmatig krachtig een hand geven bij een begroeting: ze knijpen zó hard, dat het aanvaarden van de begroeting eigenlijk pas kan plaatsvinden als ze je hand weer los laten. Ook heel interessant, als fenomeen. Net zo hoor je dat de gewenste toonhoogte in het fragment pas tot stand komt als de Q wordt los gelaten. En dat is jammer. Het is ook niet mooi, en daarom besteed ik er aandacht aan. Zangtechnisch kan dat gecorrigeerd worden door er op te letten geen of zo min mogelijk spieren aan te spannen bij het vormen van de Q, èn tegelijkertijd de Q zo licht mogelijk uit te spreken, misschien zelfs in zekere zin over te slaan, ten gunste van het vormen van de U en de I. Naar die klinkers moet alle zang-energie gaan: daar moet de inzet op gericht worden. Niet het zingen van de Q moet op het maatdeel vallen, maar het zingen van de U-I. En dit moet dan met zoveel mogelijk ontspannen spieren gebeuren.

Goed, dan hebben we de lettergreep “ta”. Die geeft ook problemen, omdat bij het vormen van de T de klinkerstroom (dus de zangstroom) op A wordt onderbroken. Daardoor zakt de muzikale doorstroming in, valt de ademsteun even helemaal weg, zodat de A die na de T komt weer opnieuw opgestart moet worden. Eigenlijk is dit hetzelfde als wat gebeurt bij “Qui”, het verschil is alleen dat er niet met “Ta” begonnen wordt, maar dat deze lettergreep midden in de zangstroom gezongen moet worden. Er lijkt zelfs een zekere angst voor de T van Ta te zijn, als je luistert naar hoe de voorafgaande lettergreep “ca” gezongen wordt als door een ruiter die zijn paard afremt bij het vermoeden van een te hoge horde. Die angst is niet bewust, eerder onbewust, en gebaseerd op de eerdere zangervaring bij de Q. Neem van mij aan dat het zo werkt.
Wat hier zou moeten gebeuren is dat de zangstroom op de A van Ca NIET onderbroken wordt door de T van Ta, zodat er eigenlijk een doorlopende A te horen is, die geen daling in energie krijgt vanwege het moeten uitspreken van de T. Dit is erg belangrijk, want zoals het in het fragment gezongen wordt is de muziek ten eerste vatbaar voor zakken, ten tweede voor vertraging, en ten derde is het minder mooi (maar dat volgt uit de eerste twee).

Ik hoop dat de koorleden hier iets mee kunnen. Deze dingen tijdens de repetitie zeggen kan ook, en doe ik ook, maar dat vraagt veel tijd.
Er valt zoveel te leren, ook voor mij. Elk fragment dat niet klopt of niet mooi is, wijst mij op mijn onvolkomenheden als dirigent.

↑↑

 

28e koor-repetitie: 30 maart 2009

Tijdens deze 2e repetitie met het Aloysius Strijkkwartet zijn we gedetailleerd ingegaan op de muzikale lijnen in alle delen van de Choral-Messe. Ook het Ave verum van Mozart goed onder handen genomen. Strijkers en zangers raken al meer op elkaar ingespeeld, en alles begint als een geheel te klinken. Maar er zijn nog veel details uit werken en te doorleven. En dan kom je er als dirigent niet met een paar mooie beeldspraken. Zoals bij het Ave Verum te beweren dat die muziek moet klinken als een opwaartse beweging. De opwaartse beweging van het net waarmee engelen Mozart´s muziek weer thuis brengen in de hemel, omdat het eigenlijk niet op de aarde hoort. Dat soort dingen. Beter is het praktisch te werken aan details, bijvoorbeeld overgangen tussen motieven en zinnen, hoe en waar precies te vertragen en weer a tempo te zingen en spelen, en hoe het geheel te behouden als de strijkers geen duidelijke afsluiting hebben, maar de zangers wel.

We hebben geen improvisatie gedaan, maar alle tijd zoveel mogelijk besteed aan het repeteren met het strijkkwartet. Helaas is het “Geistliches Lied” van Brahms niet aan de orde gekomen, want voor we het wisten was de tijd alweer voorbij. Die kostbare en heerlijke tijd, die je kan wijden aan het maken van muziek.

↑↑

 

27e koor-repetitie: 23 maart 2009

“Könnte ich bewusst im Musikalischen verweilen, so würde meine Seele Bruder des Weltalls sein.”
Dit is geen citaat van Goethe, want die zou vlekkeloos Duits schrijven, terwijl ik grammaticaal maar zo´n beetje in het duitse tast. Het zij me hopelijk vergeven Jeroen, als ik me verder niet bezig houd met de juiste spelling, maar wel met de strekking van deze Goetheske zin, die bij me opkwam terwijl ik na de repetitie terug naar huis fietste. Tjompie, wat ben ik weer lang van stof. Even inbinden.

Verblijven in ‘het muzikale’: dat wilde ik vanavond bereiken, en volgens mij is dat behoorlijk gelukt. Na een eerste inzingoefening, om de stem wat los te maken, liet ik de koorleden één en dezelfde toon van elkaar overnemen, waarbij steeds ook een moment van samen zingen was. Zo zong deze toon door het koor, steeds individueel gekleurd door de persoonlijke stem, maar ook steeds in tweetallen gemengd. Hoe beschrijf je zoiets? Het klinkt misschien makkelijk, dezelfde toon overnemen van een ander, maar de praktijk wees uit dat dit nog best wel eens tegen kan vallen. Zoals er bij handen geven ook in eerste instantie één is die de hand geeft, en één die de hand ontvangt (en daarna andersom), zo is er bij het doorgeven van een toon ook activiteit van 2 kanten nodig. Anders valt de toon op de grond. Of concreet gezegd: dan kan de toon onzuiver worden. Hij moet gedragen worden van de één naar de ander. De gehele, immense afstand van de één naar de ander moet overbrugd worden. Want tussen de één en de ander zit gewoon een grens, een ruimte. Wij gaan niet zomaar in elkaar over, al houden we nog zoveel van elkaar. Wij zijn begrensd, en daardoor hebben we ook een binnenwereld (elk nadeel heb zijn voordeel). Maar daarom kan zo´n toon, die je draagt, hoort en voortbrengt vanuit je binnenwereld (je beleving), zomaar op de grond in stukken vallen bij het doorgeven, als je hem niet tot aan de ander aanreikt, en als de ander hem niet daadwerkelijk van je overneemt.

Een uitstekende oefening dus om zuiver te intoneren, om overeenstemming te bereiken. Dat zouden ze in het parlement ook eens moeten doen, gewoon één toon zingen en die van elkaar overnemen. Overeenstemming bereiken. Leer eerst maar eens echt te luisteren naar wat een ander doet, zou ik dan zeggen. Ze zien me al aankomen, die kamerleden. Geen haar op hun hoofd. Liever ‘debatteren’ en elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Dat beangsigt me opeens, dat ons land wordt bestuurd door mensen die volkomen langs elkaar heen leven. Tot zover afdwaling nummer 1.

Vervolgens hebben we de oefening uitgebreid, eerst naar 2 tonen, dan naar 3 tonen. Dat hebben we vervolgens als uitgangspunt voor een improvisatie genomen, waarbij het er om ging door naar elkaar te luisteren klankkleuren te laten ontstaan vanuit die 3 tonen. Hieronder is het resultaat te beluisteren:

Om vervolgens eens een ander uitgangspunt te nemen, hebben we een paar tekstfragmenten uit “Cædmon´s Hymn” genomen. Door die steeds te herhalen, probeerden we de tekst tot een ritme om te vormen, en dat ritme vervolgens als basis voor een improvisatie te nemen. Het gaat hier om tekstfragmenten uit het Engeland van de 7e eeuw, in een taal die niet meer gesproken wordt, het West Saxon:

Na vervolgens Cædmon´s Hymn onvoorbereid nog eens doorgenomen te hebben, kwamen we eindelijk toe aan het repertoire dat voor vanavond voorbereid was. Als eerste het Kruisvaarderslied van Walther vonder Vogelweide. Hieronder een impressie:

Voor de goede orde: ik heb er een tweede stem bij geschreven, om het éénstemmige origineel wat meer perspectief, of diepte te geven. Eenstemmigheid kan wat ééndimensionaal zijn voor een koor, laat staan voor een publiek.

Na de pauze intensief gewerkt aan Rachmaninoff´s Bogoroditse Dievo, waarbij me nog eens duidelijk werd hoe deze muziek het midden is tussen kracht die geput wordt uit hemel en aarde, en de beweging waarin die kracht meteen wordt omgezet.
Is het element van de beweging te zwak, dan wordt de muziek log, komt tot stilstand. Is daarentegen het element van het putten van kracht niet actief genoeg, dan vindt de muziek het zwaartepunt van de ziel niet. En dan wordt het vertraagde kermismuziek. Of iets anders wat het niet hoort te zijn.

↑↑

 

26e koor-repetitie: 16 maart 2009

Inzingen vanaf een g met terstlussen naar beneden, daarna staccato het trappetje op ge-éét, en meteen 3 majeur uitroeptekens erachter aan, om weer te eindigen op de g. En dat geheel dan chromatisch stapsgewijs een oktaaf omhoog laten klimmen. Ja, je moet het koorpiraten niet te makkelijk maken hier klakkeloos tot op de millimeter uitgeschreven zangoefeningen te jatten. Dus vandaar deze cryptische omschrijving.

Vandaag niet het opname-apparaat vergeten, dus de improvisatie kon weer opgenomen worden. Het idee was om een fragment uit het Kruisvaarderslied te nemen, en van daar uit in een andere muzikale textuur terecht proberen te komen.
Op sommige momenten dreigt dat te gaan gebeuren, maar toch lukt het niet om bijvoorbeeld een andere grondtoon of grondakkoord te krijgen. Sommigen proberen ook met ritmische variaties een patroon te doorbreken, en het lukt steeds BIJNA. Luisteren, naar elkaar luisteren, blijft het sleutelwoord. Ik moet daar toch nog een betere ingang voor verzinnen. Misschien een keer vanuit een bepaalde tekst, of een paar woorden improviseren. Of misschien een paar koorleden alleen het initiatiefrecht geven, beurtelings. Volgende week maar eens proberen.
Uiteindelijk klinkt deze improvisatie een beetje als de zee, steeds aanzwellend in golven, die iets van vorm meebrengen, maar dat steeds weer loslaten:

Na dit poedelbad optimistisch begonnen aan Messiaen´s “O sacrum Convivium”, maar na onverbeterlijk gestruikel van bassen en tenor over de weerbarstige noten opeens besloten dat dit stuk momenteel niet haalbaar is. Schrappen dus. Ik weet iemand die heel blij zal zijn (was er vanavond niet).

Eigenlijk niet zo aardig van mij om het zo op de mannen af te schuiven. Alsof ze niet ontzettend hun best doen. Dat doen ze zeker! Ik kan net zo goed mezelf aanwijzen.

Dan maar Brahms. Geistliches Lied. Beetje droge titel eigenlijk voor zo´n overdonderend stuk. Wat zei ik bij Brahms? O ja, ik zei: “Je bent een kind, je zit bij een plasje water, en je hebt iets, dingetjes, gevonden die drijven, maar die steeds een klein zetje nodig hebben om vooruit te komen. Die dingetjes zijn de noten in dit stuk: ze drijven zelf, maar hebben steeds alleen maar een klein zetje nodig om vooruit te komen. En zo maken ze grote bogen en gebaren. En zo schrijven ze verdwijnende lijnen in het water. Maar wie ze ziet verdwijnen, vergeet ze niet.” Nou ja, dat laatste zei ik niet vanavond. Dat verzin ik er nu bij.

↑↑

 

25e koor-repetitie: 9 maart 2009

Waar is improvisatie nr. 3? Met stip in de vergetelheid binnen gekomen, want ik was het opname-apparaat vergeten. Dom, maar niks aan te doen. Voor de archivering van mijn bevlogenheid kan ik alleen vermelden dat het uitgangspunt deze keer bestond uit één toon, en de lengte van de adem. De ene toon was gemeenschappelijk, de ademlengte individueel. Ik kan nu rustig zeggen dat het resultaat er mocht zijn, want het valt toch niet te beluisteren, te belasteren of te controleren. Dit uitgangspunt gaan we zeker nog een keer nemen.

Cædmon´s Hymn van Peter Bird als eerste gedaan. Een fascinerend stuk, vind ik, maar wel moeilijk zingen. Het is niet echt vocaal gedacht, want het vraagt veel van de koorzanger. Vooral van de sopranen, die ongelooflijke sprongen moeten maken, op en neer, met weinig tijd of gelegenheid om te ademen.
Toch begint het eindelijk muziek te worden, de lijnen kristalliseren uit, en het geheel wordt steeds duidelijker.

Na de pauze een begin gemaakt met Messiaen´s “O sacrum Convivium”. Zo zacht en harmonieus dit stuk klinkt als je het kent, zo hard en dissonant klinkt het als je het niet kent. De akkoorden zijn speciaal, zoals altijd bij Messiaen, en je moet hun logica, of nee: hun betekenis, hun werkelijke klank eerst horen en intuïtief begrijpen, anders wordt het niks met dit stuk. Dit is pas echt een slijpsteen voor de geest. Je moet echt geestelijke arbeid verzetten, iets wezenlijks leren d.m.v. je gehoor, voordat dit stuk zich gewonnen geeft. Dat is een uitdaging, maar kan ook een struikelblok zijn. We zullen zien hoe het gaat.

↑↑

 

24e koor-repetitie: 2 maart 2009

De verwachtingen waren hoog gespannen, want vanavond zou het Aloysius kwartet voor de eerste keer met ons mee komen repeteren. Misschien waren alleen mijn verwachtingen hoog gespannen, want ik heb de combinatie van (kamer)koor en strijkkwartet altijd heel mooi gevonden, en zag er bovendien naar uit voor het eerst in het echt te horen hoe de strijkkwartetbegeleiding die ik inmiddels alweer 9 jaar geleden schreef bij Bruckner´s Choral-Messe zou klinken. Behalve die Choral-Messe stonden Brahms´ Geistliches Lied, en het Ave Verum van Mozart op het repetitieschema.

Maar eerst inzingen. Terwijl de strijkers hun instrumenten uitpakten, probeerden wij de ademhalingstechniek met het ontspannen middenrif en het inademen vanuit het loslaten opnieuw een stapje dieper te laten zakken. Om dan vanuit een ‘goede’ ademhaling tonen en motieven te zingen om de stem verder los te maken en aan te sturen vanuit de ademhaling, en om tenslotte een muzikaal motief te nemen als uitgangspunt voor een improvisatie.

Vanavond improviseerden we voor de 3e keer, en op de fiets naar de Bosbeskapel had ik een eenvoudig majeurderig melodietje genomen, een beetje volksmuziekachtig, in de verte zelfs wat afrikaans aandoend, vanwege de gekozen tekst-lettergrepen “jaa-baa-jaa-bee”. Ik wilde namelijk een vrolijker motief hebben, om tegenwicht te bieden aan het introverte mineurderige motiefje van de improvisatie vorige week, maar ook vanwege het mooie weer vandaag, dat op de mogelijkheid wees dat de winter ook voorbij zou kunnen gaan.

Zo´n uitgekristalliseerd melodietje heeft voor- en nadelen. De voordelen zijn dat het goed in het gehoor ligt, dat er allerlei harmonische wetmatigheden werken, en dat je binnen 2 herhalingen in een canon zit, die leuk klinkt als het hele dorp gezamenlijk voorbereidingen treft voor het verven van de wol, of iets dergelijks. De nadelen zijn dat het heel moeilijk is om weer uit die harmonische wetmatigheden te komen, en werkelijk te luisteren naar wat er muzikaal kan ontstaan.
Dat is verder niet erg, want we zijn net begonnen met het toepassen van improvisatie-technieken, en er valt op dat gebied nog veel te leren.
Wie de improvisatie nog eens wil horen, kan hem hieronder beluisteren...

Na het inzingen kon het strijkkwartet ook aan de slag. De strijkersklank was een bijzondere uitbreiding van de koorklank zoals we die gewend zijn. Ik herinner me dat ik in eerste instantie dacht dat 4 strijkers misschien te weinig zou zijn in verhouding tot het koor, maar het bleek eerder andersom te zijn: de koorzangers moesten alle zeilen bijzetten om boven de strijkers uit te komen. Dat was ook een kwestie van elkaar vinden en op elkaar afstemmen. Dat proces zal in de komende repetities zeker zijn beslag krijgen. In elk geval was het een inspirerende avond, met dank aan de bereidheid van het Aloysius Kwartet om op deze wijze te investeren in muziek!

↑↑

 

23e koor-repetitie: 23 februari 2009

Deze week kregen we bericht dat onze zwangere sopraan bevallen is van een gezonde dochter, een halve dag na de repetitie van vorige week. Achteraf bezien, zo meldde ze, kwam de eerste wee opzetten tijdens het repeteren van het Credo van Bruckner´s Choral-Messe.
Een betere bijdrage aan nieuw leven op aarde kunnen Bruckner en wij ons natuurlijk niet wensen!

Inzingen begonnen vanuit het ademen. Uitademen op een ffff-klank, en vervolgens inademen door je buik los te laten, de spieren te ontspannen, zodat je eigenlijk vanzelf volloopt met lucht. Dit zolang herhalen, tot het een gewoonte wordt. Dat kan dan wel een paar maanden duren, want deze manier van ademhalen wijkt erg af van waar ik mee om de oren ben geslagen de afgelopen 25 jaar. Goed dan, als de ademhaling in een lekker ritme zit, dan de ff-klank vervangen door een toon op noe of aaa.

Vanuit die gezongen toon kunnen dan nog allerlei losmaakoefeningen voor de stem gedaan worden, maar uiteindelijk -en daar wil ik naar toe- bouwde ik vandaag weer het motief van vorige week op: langzame tonen op G-F-Es-F-G-A-Bes-A. Dit motief herhalen en als uitgangspunt nemen voor het luisterend improviseren. Het resultaat is hieronder te beluisteren:

Hoewel het thema mooie momenten opleverde, valt bij deze opname -genadeloos als opnames altijd zijn- ook op hoe onzuiver de intervallen soms geïntoneerd worden. Of “lui” geïntoneerd. Speel het thema maar eens mee op een piano terwijl je de mp3 beluistert. Dat is niet best. Misschien komt dat omdat de aandacht tijdens de improvisatie heel erg bij de ademhaling of het luisteren ligt, maar dat zou eigenlijk geen excuus mogen zijn. Zuiver intoneren, ademen en luisteren zouden gewoon samen moeten kunnen gaan. De intonatie is echt iets waar we grondig aan moeten werken.

Verder hebben we de hele Choral-Messe doorgenomen, want volgende week komt het Aloysius strijkkwartet met ons mee repeteren.

↑↑

 

Extra koor-repetitie: 25 januari 2009

I.v.m. de opening van het Irak-Nederland Kunstfestival vond er een repetitie plaats in de Iraakse ambassade te Den Haag. De Nederlandse componist Merlijn Twaalfhoven had ons koor benaderd voor deelname aan dit muzikale evenement, waarbij Iraakse ‘volks’liedjes gecombineerd zouden worden met ‘westers’ georiënteerde improvisatie-technieken.
Vandaag zou de eerste repetitie plaatsvinden, samen met zangers uit andere koren, de Iraakse musici Sattar Al-Saadi en Sataa Al-Saadi, de zangers Alan George en Baidar Khalaf, wiens namen en culturele reputatie ik op dat moment nog niet kende. Later bleek dat zij zowel in Irak als in de Iraakse gemeenschap buiten Irak bekende artiesten zijn. Wist ik veel. Weten wij veel.

 

↑↑

 

18e koor-repetitie: 19 januari 2009

De belangstellenden blijven binnenstromen: vanavond de 3e stemproef op rij. Een alt deze keer. Maar laat ik niet overdrijven. Mijn gevoel over de komende maanden is zweverig gezegd ‘dun’. Er zullen veel gaten in de bezetting vallen door afwezigheid i.v.m. vakanties en zelfs een heugelijke zwangerschap. Daardoor zullen met name de sopranen wat onderbezet zijn. En dan was één van de bassen ook nog eens van plan om het bijltje er bij neer te gooien, moest een andere bas halverwege weg, en de tenor ging ook vroeger naar huis, want te moe. Hij gaf nog wel de toelichting dat de 3e maandag van Januari statistisch geboekstaafd staat als meest deprimerende dag van het jaar.
Soms denk ik wel eens dat het koor van de ene op de andere dag zomaar geschiedenis kan zijn, als iedereen op hetzelfde moment zou besluiten er mee te stoppen. Van dat soort besluiten hangt echt het hele bestaan van het koor af. Van ieders besluit om mee te doen, en mee te blijven doen, bedoel ik. Daar ben ik als dirigent helemaal, compleet en totaal afhankelijk van. Daar is alles wat wij willen bereiken helemaal afhankelijk van.

Vandaag stonden het Gloria uit Bruckner´s Choral-Messe, en Cædmon´s Hymn van Peter Bird op het programma.

Het Gloria is het eerste langere deel uit de Choral-Messe (het Credo is het langst), en is ook niet van Bruckner´s hand, maar uit materiaal van hem samengesteld door Joseph Messner (zie voorgaande repetities).
Toch zeg ik dat het koor veel kan leren van Bruckner. Gelijk inzetten, tempo-wisselingen, modulaties, het vormen van de vocalen, akkoorden zuiver intoneren. Allemaal zang- en koortechnische zaken die ik hier opnoem. Want voor de bezieling van deze muziek hoeven ze niks te leren, lijkt het. Zo vanzelf treffen ze de juiste sfeer, dat het nergens zwaar of stug wordt, maar integendeel steeds licht en doorlaatbaar blijft. Dat heb ik vroeger wel eens anders meegemaakt. Bij het ‘oude’ Morgana (1995-2000) heb ik de Choral-Messe ook willen uitvoeren, maar er bleek muzikale weerstand tegen te bestaan.

Na de repetitie van vorige week kreeg ik de indruk dat de koorleden het stuk van Peter Bird niet vanzelfsprekend mooi vonden, en zelfs moe werden van het repeteren ervan. De partituur heeft een tenorpartij in de bassleutel genoteerd, en daar kon onze tenor niet mee overweg. Dat helpt natuurlijk niet om een stuk leuk te vinden. Daarom, en om een aantal andere redenen, heb ik een aangepaste partituur gemaakt van Cædmon´s Hymn. De opmaat in het begin heb ik weggehaald, zodat het stuk nu op de 1e tel begint. Dit omdat de opmaat overgebonden is, zodat iemand die de partituur niet kent onmogelijk kan horen dat het hier een opmaat betreft. Wat visueel zichtbaar is, is niet hoorbaar. Dat maakt de muziek al bij de eerste inzet ingewikkelder dan ze is. En dat moet je als componist proberen te vermijden. Ook al realiseren koorzangers het zich misschien niet bewust, onbewust werkt het wel degelijk zo dat het visuele beeld van een opmaat gecompliceerder voelt dan een inzet op een eerste tel.
Iets dergelijks was ook het geval met een gedeelte van het stuk dat in een 4/2-maat stond: het visuele beeld kwam niet overeen met het klankbeeld: Je hoorde een 4/4-maat. En je zag een 4/2-maat. Dat is verwarrend, en dat was vorige week te merken. Dus dat deel heb ik als 4/4-maat omgeschreven, gewoon om te kijken of dat inderdaad anders werkt. En volgens mij was dat zo, ging het allemaal wat vloeiender, en was het volgen van de noten minder vermoeiend.

Er onstond wel wat hilariteit over mijn bemoeienissen met een stuk van iemand anders. Alsof ik perse alles wat wij doen moet ‘bewerken’. Misschien zit daar wel een kern van waarheid in, maar ik heb niet het gevoel dat ik Peter Bird´s stuk heb bewerkt. Ik heb volgens mij wat er in het notenbeeld zichtbaar is, meer in overeenstemming gebracht met wat er in de noten hoorbaar is. Zonder arrogant te zijn denk ik dat ik daar voldoende ervaring als componist voor heb om mij dat te kunnen veroorloven. Daarnaast zal ik mijn bemoeienissen zeker ook nog met Peter Bird bespreken. Als hij mij terugfluit vanwege aspecten die ik over het hoofd heb gezien, dan ben ik degene die weer wat geleerd heeft.

↑↑

 

17e koor-repetitie: 12 januari 2009

Weer een stemproef voorafgaand aan de repetitie. Maar ook moest ik aan het koor melden dat ik besloten had de nieuwe tenor niet aan te nemen. Ondanks dat we zo hard tenoren nodig hebben. En ondanks dat hij heel goed meegedaan had. Iemand afwijzen blijft moeilijk, het is niet bepaald een hobby van me. En ik kan me voorstellen dat het roekeloos of arrogant overkomt, omdat wij toch een klein koor zijn dat wil groeien, maar ik heb er goed over nagedacht en een afgewogen besluit genomen.

Verder zijn we begonnen aan “Cædmon´s Hymn” van Peter Bird, en dat wordt nog een hele klus. Het stuk is nog nooit uitgevoerd, geschreven in 2005, ten dele op een tekst in zeer oud Engels, of eigenlijk West Saxon, waarvan de uitspraak ook nog eens heel ingewikkeld is.
Ik heb het volgende commentaar aan zijn stuk toegevoegd (in het Engels):

Considering that Peter Bird composes since 2004, and that he wrote Cædmon´s Hymn in 2005, we are looking at an amazing effort, incorporating a wide array of musical expression, apparently written with natural ease, and a strongly woven confident musical texture, out of which the contours of a real personal voice come forward. Not always as clear as might be yet, but undeniably present and promisingly distinguishable.

Peter Bird stirs his soul profoundly and up to its unknown roots, to search and find his musical language. Cædmon´s hymn is a puzzling piece, full of voices, echos of the past, reborn in the present for the modern ear. Ockeghem and even Walther von der Vogelweide, the medieval troubadour, can be heard. But there are also connections to soundbirds like Arvo Pärt or John Tavener.

The funny thing is, that allthough the text is a religious praise and calling for serenity, the music is a real living melting pot, energy driven and boiling: Creation as a force works in it, like once the ancient earth was filled with fire, cooling down in countless shapes, generating life as it extinguished its own. This is an element of the music that makes it difficult for a choir to sing, because incorporating this stream of energy is like eating fire, and that is something choir singers don´t do every day. But when they master the music, it will certainly be an uplifting experience. Because the earth is being reborn in this piece. A big achievememt I would say, that also demonstrates Peter Bird´s knowledge of, connection with, and admiration for the beautiful planet we live on.

“O, dus daarom worden we er zo moe van”, hoor ik jullie praktische geesten al denken. En dan zeg ik: “Ja, dat denk ik wel.”. Al die energie en vormkracht die in dit stuk zit en er uit wil komen, daar kan je doodmoe van worden, als je er teveel in meegaat. Gewoon een beetje afstand houden is mijn advies dus. En volhouden. Ik gun het Peter Bird graag dat we zijn stuk uitvoeren, en niet alleen zijn stuk, maar op de langere termijn ook andere stukken van onbekende of bekende componisten.

Van mij mag Morgana ook een beetje een platform worden waar nieuwe stukken geproefd worden, en dan ook beoordeeld, bijvoorbeeld op zingbaarheid. Al is het alleen maar door ons. Want alleen door ze uit te voeren worden stukken ‘echt’, kunnen ze werkelijk geboren worden. Ik beschouw het als een werkelijk edele en dankbare taak om verloskundige te zijn voor koorcomposities.

Behalve Cædmon´s Hymn hebben we ook gewerkt aan het Kyrie uit Bruckner´s Choral-Messe. Het openingsdeel dus, en in feite helemaal niet door Bruckner geschreven, maar samengesteld door Jospeh Messner uit thematiek van de delen die wèl door Bruckner zijn geschreven. Ik moet zeggen dat Joseph Messner dat werkelijk fantastisch heeft gedaan, met een aan ontroering grenzend ontzag voor Bruckner.

↑↑

 

16e koor-repetitie: 5 januari 2009

Het koor wordt voller. Met 3 aspirant-leden waren er vanavond 14 koorzangers. De repetitie startte wat laat vanwege een stemproef, maar begon vol verwachting en geheel voltallig. Tjonge, wat is het soms makkelijk om zomaar wat op te schrijven.

Op het schema stonden deel 1 (Kyrie) en 2 (Gloria) van de Choral-Messe van Bruckner, maar de samenzang ontaardde al snel in gekibbel over de uitspraak van woorden als “Kyrie”, “E-le-i-son” of “coelestis”. En daar moest ik vooral niet te luchthartig over doen. Nee, dat wàs echt iets, die uitspraak. Dan valt me weer eens op hoe eigenzinnig dit koor is. En hoe leuk dat eigenlijk is. Een koor met een hoog Xi- of Xo-gehalte misschien? Vraag maar aan Willem wat dat betekent.

Als je zingt bevind je je in een klankruimte, die deels (innerlijke) beleving is, en deels voortkomt uit lichamelijk beheersbare zangtechniek. Ik heb het al vaak gezegd, maar het is van belang dat je steeds met je beleving in het midden van die klankruimte staat. Zodat je voor de hoogste tonen in een melodische lijn zangtechnisch niet ‘omhoog hoeft te reiken’, of voor de laagste tonen niet omlaag hoeft te reiken. Dat is al best moeilijk om voor elkaar te krijgen. Maar dan komt het ook nog eens voor dat je midden in een muzikale zin adem moet halen. Wat dan vaak gebeurt, is dat zowel de innerlijke als de ‘zangtechnische’ klankruimte losgelaten wordt, en weer opnieuw betreden nadat is ingeademd. En dat is jammer, want dat veroorzaakt veel onrust in de koorklank. Het is helemaal niet nodig om als je midden in een muzikale zin moet ademhalen, dan ook de klankruimte waar je in zit te verlaten.

Mijn credo voor de koorzanger is daarom deze keer:
Blijf je horizon dragen.

↑↑

 

15e koor-repetitie: 15 december 2008

Het Agnus Dei uit de Choral-Messe van Anton Bruckner begint met een mineur-akkoord op d, heel klassiek gezet, met de grondtoon (d) voor de bassen, het oktaaf (d) voor de sopranen, de kwint (a) voor de tenoren, en de (kleine) terts (f) voor de alten.
Waarom noem ik deze zetting klassiek?

Omdat de harmonische functies van het akkoord (grondtoon, oktaaf, kwint en terts) zijn toegewezen aan de stemmen die er op een bepaalde manier bij horen.
De bassen vormen als laagste stem het fundament van de koorklank, de sopranen begrenzen als hoogste stem de bovenkant van de koorklank, de tenoren scheppen binnen bodem en dak een binnenruimte met de kwint, en de alten vullen die binnenruimte met een gevoelswaarde. Dat is klassieke harmonie.

We repeteerden vanavond o.a. bovengenoemd Agnus Dei, en bij de eerste inzet van dat mineur-akkoord in d, kwam de volgende formulering bij me op:
Mineur draagt van binnenuit de vorm, en majeur begrenst van buitenaf de vorm.

Probeer daar maar eens aan te denken als je een majeur- of een mineurakkoord zingt als koor. Probeer je dat voor te stellen bij het begin van het Agnus Dei: dat het mineurakkoord daar wil klinken als een kracht die een vorm van binnenuit draagt.

Een quasi doorloopje gedaan van het nieuwe repertoire tot nu toe: Kruisvaarderslied, Ave Verum, Silent night (ja, even een kerstnummer tussendoor), Agnus Dei, Bogoroditse dievo, Credo, Sanctus, Benedictus. Het ging erg goed, het was zelfs een fantastische repetitie. Het koor had een prachtige, heldere, zuivere, ingetogen en krachtige klank. Ik verheugde me erg op de opnamen die ik met mijn oude NEtMD-speler aan het maken was. Helaas bleek bij thuiskomst dat de opnamen jammerlijk waren mislukt: Niets dan ruis, of een zeer buitensporige weergave van een wind die blijkbaar door de repetitieruimte waaide, zonder dat wij daar ook maar iets van hebben gemerkt.

(Terzijde)
Wind ja. Soms, heel soms, dan denk ik wel eens, als ik weet dat niemand kijkt, of meedenkt, of afluistert, zodat ook niemand denkt dat ik gek geworden ben, hoewel de kans erg klein is dat er werkelijk níemand is die denkt dat je gek geworden bent, zeker op internet, dat onpersoonlijke heelal van intimiteit, waar de enkeling zijn/haar eieren legt om door anderen te laten uitbroeden, soms dus, denk ik dat die wind in de microfoon het gevolg is van de vreugde van de zielen van de gestorvenen, op de grote begraafplaats Eik en Duinen, die aan het terrein grenst van de kerk waar wij repeteren. Wind van de buren zeg maar.
Ja, dat denk ik wel eens, dat die zielen bij ons komen luisteren. Nou ja luisteren kan natuurlijk niet, want een ziel heeft geen zintuigen, maar dat ze iets in de omgeving beleven als er door het koor gezongen wordt. En dat die beleving voor hen op de een of andere wijze van belang is. Dat ze er zichzelf door kunnen waarnemen, zich van hun onsterfelijkheid bewust worden. Om maar wat te noemen. En dat dit besef van onsterfelijkheid hen een vreugde schenkt die zo groot is, dat de microfoon dat opvangt alsof er een flinke wind stond in de repetitieruimte. Dat denk ik wel eens. Èn dat die zielen ons onbedoeld inspireren met hun aanwezigheid, omdat wij ook onsterfelijke zielen zijn, en de nabijheid van die verwante substantie onbewust herkennen. En onbewust zeggen wij en zij: Hier gaat het om, dat wij onsterfelijk zijn, en verwant, zij die leven en zij die geleefd hebben en weer zullen leven. Dat is dan mijn kerstboodschap.

Credo voor de dirigent:
Een dirigent hoeft geen kerstboodschap te hebben om te kunnen dirigeren.
(Maar mag dat wel, als het zo nodig moet.)

↑↑

 

14e koor-repetitie: 8 december 2008

Over de repetitie heb ik niet zoveel te vertellen. Dan nog maar even het verhaal afmaken van het beduimelde blauwe boekje van de Choral-Messe van Bruckner (zie de 12e repetitie van 24 november 2008), dat ik lang, lang geleden, nog in de tijd van de guldens, vond op de 2e handszolder van muziekhandel Albersen. Waarom nam ik het mee? Alles aan het ding zag er stoffig uit: het titelblad met het ouderwetse lettertype, de bladzijden, ja zelfs de muziek had iets degelijk-oud-stoffigs, aan het notenbeeld te zien.

Ik voelde me in die tijd overdreven verantwoordelijk voor 2e hands muziek. Ik dacht steeds: Dat kan daar toch niet zo blijven liggen. Daar moet iets mee gebeuren. Iemand heeft dat ooit gekocht, omdat het mooi was, of omdat het ergens voor nodig was, en nu ligt het hier maar zonder betekenis, zonder doel. Onverdraaglijk. Bladmuziek die niet gebruikt wordt doet me denken een baby die te vondeling is gelegd. Ontfermingsdrang.

Maar daar wou ik het niet over hebben. Ik wilde vertellen over het fenomeen dat je soms een opwelling krijgt om ergens heen te gaan, en dan iets (of iemand) tegenkomt waarmee je dan een verbinding aan kan gaan die op de een of ander manier van belang is voor je ontwikkeling.
Zo´n opwelling had ik die dag dat ik naar de 2e-hands zolder van Albersen ging, en de beduimelde partituur van Bruckner´s Choral-Messe vond. Ik had meteen het gevoel dat die partituur daar voor mij lag, op mij had liggen wachten. En dus kocht ik hem (voor 5 gulden), en nam hem mee naar huis, waar hij voorlopig bovenop de piano terechtkwam. “Bovenop de piano” is bij mij een synoniem voor broedplaats, of voor dingen waar ik mee bezig ben of wil zijn.

Toch heeft de Choral-Messe zeker nog 2 jaar op de piano gelegen voor ik me herinnerde dat dat zo was. En opeens was het me duidelijk dat ik hem wilde uitvoeren. Er was alleen één bezwaar: er zat een orgel-begeleiding bij, en orgel is nou niet bepaald mijn favoriete instrument. Daarnaast is het een hoop gedoe om een concertruimte te vinden waar je gebruik van een orgel kan maken.

In de partituur stond een voorwoord uit 1941 van Dr. Joseph Messner (1893-1969), een Oostenrijkse organist en kerkmusicus. Hij heeft de uitgave verzorgt, waarbij hij de ontbrekende delen (Kyrie, Gloria en het grootste deel van het Credo) heeft toegevoegd, daarbij gebruik makend van muziek en thematiek van Bruckner. Daarnaast heeft hij de orgelbegeleiding toegevoegd.

En daar kom ik dan in beeld als arrangeur/bemoeial: Die orgelpartij vond ik op zich prima en vaak zelfs heel mooi, maar ik vond hem ook op een bepaalde manier onuitgewerkt, in die zin dat hij maar ten dele en op sommige plekken een nieuwe dimensie aan de koorpartijen van Bruckner toevoegde. Dat is natuurlijk een zeer arrogant oordeel van mij, maar ik bedoel er vooral mee, dat ik zelf aan de koorpartijen van Bruckner heel veel ervaarde. Behalve de noten die hij gebruikt heeft, hoorde ik ‘tussen de regels’ aankondigingen van andere muziek. En die vond ik niet terug in de orgelbegeleiding van Messner.

Dat was voor mij de aanleiding om die orgelbegeleiding om te vormen tot een strijkkwartet waarin ik die aankondigingen van muziek heb proberen te verwerken, en waarbij ik m.i. veel van Messner's aanzetten heb uitgewerkt tot een nieuw geheel, waarvan ik het gevoel heb dat het de cirkel terug naar Bruckner rond maakt. Zonder Messner, en zonder Bruckner natuurlijk, had ik dat echter nooit kunnen doen.

De Choral-Messe die wij gaan doen, is dan ook door 3 paar handen gegaan, van 1844 t/m 2000 (want mijn bewerking stamt uit dat jaar). Ik denk persoonlijk dat dit werk als jeugdwerk van Bruckner veel kiemkracht bevat, dat er veel in aanwezig is wat in zijn latere werk tot volle wasdom is gekomen. De strijkkwartetbegeleiding die ik erbij heb gemaakt, wil daar eigenlijk op wijzen, door er muziek aan toe te voegen die ik er in gehoord heb, maar die niet in de oorspronkelijke noten staat. Daar voeg ik aan toe dat ik geen specialistische muziektheoretische kennis heb of had van Bruckner's componeerstijl: ik heb puur vanuit mijn innerlijke gehoor gewerkt. Mijn innerlijke gehoor heeft zich door het schrijven van de strijkkwartetbegeleiding zelfs enorm ontwikkeld. Ik laat het aan anderen over om een oordeel te vellen over de vraag of de strijkkwartetbegeleiding wel ‘door Bruckner geschreven had kunnen zijn’. Ik zou alleen nog altijd heel graag willen weten van wie de blauwe beduimelde partituur ooit geweest is die ik bij Albersen vond.

↑↑

 

13e koor-repetitie: 1 december 2008

Het koor was weer voltallig aanwezig vanavond: geweldig. En André had de stoelen allemaal al mooi in 2 rijen klaar gezet, zodat we ècht op tijd konden beginnen. Helaas moest ik weer roet in het eten gooien door er aan te herinneren dat ik wat opstelling betreft weer terug wilde naar 1 rij zangers, om vandaar uit in een later stadium een geschikte opstelling vast te stellen. Sorry, André.

Eerst waren er nog wat mededelingen van het “zelfbenoemde bestuur”, waaronder het besluit dat we voorlopig nog geen vereniging willen worden. De voordelen (subsidies verkrijgen, een rechtspersoon zijn) wegen niet op tegen de nadelen (subsidies verkrijgen, een rechtspersoon zijn). Dit lijkt een flauwe opmerking, maar bij nader inzien is het dat ook. Meligheid kan nu eenmaal gewoon optreden, zonder direct aanwijsbare redenen. Sterker nog: Meligheid is een spontane behoefte aan gezelligheid die geen aanknopingspunt kan vinden, en zodoende onhoudbaar vrijkomt. Inderdaad, het lijkt gênant veel op winden laten. Sociaal winden laten. Ik laat dit spoor nu los. Anders gaat het helemaal mis.
Ik ben overigens erg blij met de inzet van het “zelfbenoemde bestuur”. Laat daar geen twijfel over bestaan.

We begonnen met een inzingoefening in parallelle kwinten, met als motief een soort verlengde Seufzer op sol-fa-sol-la-sol-fa-sol (in de bovenstem), en de onderstem een kwint lager. Dit geheel gebruikten we als kapstok voor een aantal zangtechnische aanwijzingen om de koorklank en de individuele zangtechniek te verbeteren.

Er zijn zoveel details om aan te werken, alleen al in de basis van het zingen. Hoe zet je een toon in, hoe bereid je je daar op voor? Soms worden de stembanden te los gelaten, zodat er veel lucht door de toon mengt. Dat is zonde. Het is zonde dat als je gaat zingen, je dan een groot deel van je adem niet in klank omzet. Daarnaast klinkt het ook niet mooi, dat is natuurlijk veel belangrijker.

Verder lijkt het besef altijd zo ver weg dat wanneer je zingt, je je zowel in een uiterlijke als een innerlijke klankruimte bevindt. De laagste en hoogste tonen van de melodische lijn, het fragment of motief dat je zingt in een stuk, bepalen daarbij bodem en dak van die 2 klankruimtes. En het is zaak, om je dan midden in die ruimtes, dus tussen bodem en dak, te bevinden, zodat je zonder te bukken of te strekken bij boven- en onderkant kan komen. Wat de uiterlijke ruimte betreft doe je dat d.m.v. zangtechnische beheersing, en wat de innerlijke ruimte betreft doe je dat d.m.v. je beleving. Je hoort het namelijk meteen in de kwaliteit van de klank, wanneer iemand zich bewust is van de innerlijke ruimte waarin hij of zij zich bevindt. Maar dit is een stokpaardje dat ik al een tijd niet bereden heb. Ik merk dat ik er de juiste woorden niet voor vind, want het wordt veel te lang. Pas wanneer iets echt niet meer korter kan, heb je de juiste woorden gevonden. De woorden die overeenkomen met de gedachte, en er nergens van afwijken. Woorden die helemaal samenvallen met de gedachte. Lijkt me heerlijk als dat weer eens lukt. Is nu niet het geval. Dus stokpaardje in de kast. Deurtje dicht.

Valt er verder nog iets te zeggen? O ja: Het was vandaag de repetitie van de opgetrokken mondhoekjes. Dus de glimlach als aai-opener, d.w.z. als extra mogelijkheid om de aa, de ii, de ee en alle ander klinkers mooi open te maken en te laten klinken (niet als uitnodiging om geaaid te worden).

We hebben weer zeer gedetailleerd gewerkt aan het “Ave Verum” van Mozart. Moet ook wel, want als er één stuk is dat al meer dan duizend keer onovertroffen mooi is uitgevoerd door iedereen op de hele wereld, dan is dit het wel. En ik lijd ook aan die waan, aan die goudkoorts dat ik het onovertroffen mooi wil uitvoeren. Want het is goud, dat Ave verum. De gouden plak van de koorzang. Die wil ik aan m´n muur hebben hangen. Net zoals al die andere onovertroffen uitvoerders ´m aan de muur hebben hangen.
Het Ave verum zingen: Alsof het om een record gaat dat verbeterd kan worden. Er zou een olympische sport van gemaakt moeten worden. Worstelen, hoogspringen, Ave verum zingen. Maar dan moeten we er wel hard aan werken. Je voert niet zomaar even het Ave verum van Mozart uit. Dan ga je de mist in. Ik hoor het een recensent al schrijven: “ Het Morgana kamerkoor maakte van het Ave Verum een 100 meter hordenloop i.p.v. het vrije nummer op de vlinderslag, wat het in wezen natuurlijk is.” Recensenten weten namelijk altijd heel goed wat alles is, en wanneer iets ophoudt te zijn wat het eigenlijk is, en ze kunnen dat vooral heel goed in de gaten houden. Maar in dit geval zouden ze gelijk hebben. Het Ave verum is ècht het Vrije Nummer op de Vlinderslag bij de Olympische Spelen van het Koorzingen.

Zo zou het in elk geval moeten klinken: als de geheel vrij geworden vleugelslagen van een vlinder. En dat is intens moeilijk, want het is in al zijn noten het meest vastgelegde stuk dat er bestaat, elk onderdeel ervan is een schoolvoorbeeld van hoe muziek moet zijn.
Lyrisch, vol lof zijn luisteraars, uitvoerders, critici en muziektheoretici al eeuwen over dit stuk, waarvan de genialiteit steeds opnieuw wordt uitgeplozen, geanalyseerd en ingelijst. Muzikale structuur, melodievoering, harmonisatie, zelfs de tekstplaatsing wordt boven elke twijfel verheven, er zijn boeken geschreven over hoe het uitgevoerd dient te worden, artikelen over wat je niet en wel moet doen. Vreselijk, een nachtmerrie wordt het zo, een onbereikbaar ideaal, je zou het niet meer durven aanraken.

Maar dat moeten we dus juist wel durven. Als kinderen moeten we het aanraken, beetpakken, en met ons meenemen. Nergens last van hebben. Vlindertje spelen. Zoals Mozart ook, zelfs lang na zijn dood, steeds alle bezwaren die er in de wereld tegen alles bestaan overwint met de kinderlijke onbevangenheid van zijn muziek. Kinderen kunnen het Ave Verum onovertroffen uitvoeren.

↑↑

 

12e koor-repetitie: 24 november 2008

Er is een zeer zorgvuldig samengestelde en mooie DVD gemaakt van het concert door onze bas Willem en zijn partner Annelien. In beeld en geluid kunnen we nog eens terug beleven hoe het is geweest. Veel dank voor de aandacht en toewijding waarmee de DVD gemaakt is. Daar zitten flink wat uurtjes in, denk ik zo.

Even telegramstijl (ik moet gaan slapen namelijk). Gewerkt aan: Ave verum, Locus iste, Agnus dei (uit de Choral-Messe).
Losse woorden: De bassen moeten meer poetisch zingen.
De ziel klinkt in de klinkers.
Ik hoor te vaak alleen de begrenzing (medeklinkers).
De M van immolatummmmm
De klankruimte hoog laag
Da pacem domine, 3e zin octaaf.
Over de tegenstroom in het Ave verum, hoe het vanuit de toekomst naar je toekomt terwijl je het zingt.

Over de Choral-Messe van Bruckner:

Hoe dat soms loopt. Of eigenlijk altijd. Je gaat ergens heen, vindt iets of komt iets tegen, en dat wijst je een richting.
Zo ging ik op een dag, al lang geleden, nog in de tijd van de guldens, naar muziekhandel Albersen. Boven, op de 2e-hands afdeling, waar je nu niet meer naar toe kan, omdat de winkel verhuisd is, vond ik bij de koormuziek een vervaald blauwe uitgave van een stuk van Bruckner waar ik nog nooit van gehoord had. Dat zegt op zich niet zoveel, want zonder hulp van anderen hoor ik wel vaker dingen niet, zoals het bericht van het overlijden van de muziekleraar uit mijn schooltijd (Willem Bruning). Zodat ik niet op zijn begravenis kon zijn, om mee te zingen met de andere oud-leerlingen van onze school. Dat vond ik erg jammer. Want hoewel ik Best Bang voor Bruning was op school, had ik ook een zwak voor hem. Ik had graag afscheid van hem kunnen nemen. Er was een tijd dat ik bevriend was met mensen die er voor zorgden dat ik dat soort dingen wist. Die tijd is al enige tijd voorbij. En dit soort gebeurtenissen maken me dan bewust van diensten waar ik van afhankelijk ben, zonder het te weten

Anyway, dat blauw beduimelde boekje was dus de Choral-Messe.
Wordt vervolgd...

↑↑

 

11e koor-repetitie: 17 november 2008

De repetitie die geen repetitie is. Want napraten over het concert. Ervaringen uitwisselen, de verbazing delen over hoe goed het is gegaan, hoe positief de reacties waren. En daarna eigenlijk vergaderen, evalueren hoe de reis naar het concert toe is geweest, wat de wensen en kanttekeningen van de koorleden zijn, hoe we verder willen gaan, wat er anders moet, of wat juist precies zo moet blijven als het is.

Het laatste deel van de avond begonnen met 2 nieuwe stukken voor ons volgende concert: Het “Kruisvaarderslied” uit 1228 van Walther von der Vogelweide, de beroemde Troubadour uit de Duitse Middeleeuwen, in een twee-stemmige bewerking van mijn hand.

Ik ken dit stuk uit het muziekgeschiedenisboek dat ik tijdens mijn studie diende te verorberen, en aan het notenbeeld viel me destijds meteen al op dat dit een bijzonder stuk moest zijn, met een zekere verinnerlijkte, meditatieve aandacht, waar ik nu eenmaal erg van hou. De eerste keren dat ik dit stuk wel eens met koren deed, liet ik de lage stemmen het hele stuk op de ´grondtoon´ meezingen. Niet om het meerstemmig te maken, maar om de functionele éénstemmigheid ervan te benadrukken, en de oriëntatie op een basistoon, waar omheen de melodie zich als een wingerd windt.
Die grondtoon is nu veranderd in een 2e stem. Dus toch een bewerking, die dit lied naar de 21e eeuw draagt. Althans, dat hoop ik.

Het andere nieuwe stuk is het “Ave Verum” van Mozart. Dat stuk heb ik altijd al willen uitvoeren, maar het is er nog nooit van gekomen. En het past vanwege de strijkersbegeleiding (de basso continuo laat ik weg) bij het andere deel van ons nieuwe programma, de “Choral-Messe” van Bruckner.

“Wat?”, hoor ik kenners al zeggen. “De Choral-Messe is toch een A Capella mis? Daar zìt helemaal geen strijkersbegeleiding bij!”
Inderdaad, dat klopt. Althans niet tot de winter van 2000, want toen schreef ik er een strijkkwartetbegeleiding bij. En die gaan we er nu onder zetten in de uitvoering.

↑↑

 

Concert: 16 november 2008

Over het concert ga ik hier niet veel schrijven. Deze pagina gaat over de repetities. Ik hoop binnenkort een wijziging aan de website te kunnen doorvoeren, waarbij er een aparte pagina voor de concerten gaat komen. Daar wil ik ook plek geven aan de vele enthousiaste, kritische en hartverwarmende reacties die er geweest zijn.

Voor de volledigheid zeg ik hier alleen dat het concert een bijzondere ervaring was, dat het heel goed ging, en dat we ondanks alle concurrentie van gelijktijdige evenementen een zeer goed gevulde zaal hadden.

↑↑

 

Generale Repetitie: 14 november 2008

Vermoeide koorleden en een vermoeide dirigent verzamelden zich op deze druilerige en donkere novemberavond in het Sorghvliet Gymnasium voor de generale repetitie van het komende concert. Blijkbaar hadden velen er een zware week op zitten. En ik ook, want ik kreeg mijn hoofd er niet bij. Niet de goede tempi, ik hoorde de muziek niet bij het aangeven van de tonen, ik hoorde zelfs de tonen niet bij het aangeven van de tonen, ik sloeg vaak mis op de toetsen van de stugge en wat afgeragde vleugel, die ook nog eens te ver van het koor af stond, waardoor geen contact. Langs mekaar heen musiceren. Nog meer gebrek aan verwarming.

Bij een Generale doe je dus alles wat je van plan bent te gaan doen. Nou, dat bleken opeens toch erg veel stukken te zijn, die erg veel concentratie vragen. “Is dit wel zo´n goed idee?”, vroeg ik me steeds af. “Waar zijn we in godsnaam mee bezig? Moeten we er niet van afzien?” Nee, niet afzien: doorgaan, gewoon doorgaan. Het ZAL goedkomen. Dat was denk ik het werkelijke gevecht van deze avond, althans voor mij. Om de moed er in te houden, te blijven geloven in mezelf, in mijn muziek, in de koorleden, en in het slagen van het concert. Valt niet mee, als er voor je gevoel in een omtrek van 100 kilometer geen Moed Supply Store aanwezig is.

Tot overmaat van ramp besloot ik ook nog om met mijn oververmoeide en warrige hoofd een individueel koorlid na afloop in de groep aanwijzingen te gaan geven over wat ze vooral niet moest doen. Zelden zo´n verschrikkelijke fout gemaakt. Gelukkig heb ik het later goed kunnen maken. Want die was ik niet graag kwijt geweest. Ja Trees, zo is dat.
Ongelooflijk, hoe zenuwen je zo parten kunnen gaan spelen dat je echt hele vreemde dingen gaat doen. Want zenuwachtig was ik, meer dan ik ooit geweest ben voor een uitvoering of concert.

Gelukkig had ik, op aanraden van Sheila wel alvast vers gedrukte programmaboekjes voor de koorleden meegenomen, waaruit ook bleek dat we echt iets gingen doen, dat het echt ging gebeuren.

↑↑

 

10e koor-repetitie: 10 november 2008

Als ik piano speel, ben ik alleen. Er zijn nog meer vanzelfsprekende opmerkingen te maken, maar ik bedoel dat bij piano spelen het proces van muziek maken zich helemaal in mij afspeelt, en dat ik er de gehele controle over heb. Daardoor is in zekere zin improviseren mogelijk waar het de interpretatie van de muziek betreft. Als ik namelijk tijdens het spelen tegelijkertijd blijf luisteren naar wat de muziek in mij wil, dan kan dat de ene keer leiden tot een andere interpretatie dan de andere keer. Zo kan het tempo verschillend worden op bepaalde plekken, of er ontstaat behoefte aan accenten op bepaalde noten. Om maar eens wat te noemen.

Als ik goed luister tijdens het muziek maken, kloppen de interpretatiewijzigingen ook, in die zin dat ik merk dat het stuk opnieuw een geheel wordt. Het komt natuurlijk ook voor dat ik niet goed luister, en dan blijkt de interpretatiezoektocht niet te werken. De solistische musicus kan dus in zijn eentje de interpretatie van een muziekstuk ter plekke laten ontstaan, door te luisteren.

Ik begin hierover omdat een koor het tegenovergestelde van een piano is. Als ik dirigeer, d.w.z. muziek maak met het instrument koor, dan ben ik niet alleen. Integendeel, ik ben dan volledig afhankelijk van anderen, van de koorleden dus. In de eerste plaats ben ik van hen afhankelijk vanwege het feit dàt ze in een koor willen zingen, en dan nog in mijn koor, ten tweede ben ik afhankelijk van hun aanwezigheid op repetities, en van hun inzet, en tenslotte ben ik afhankelijk van hun bereidheid om naar mij te kijken (en niet alleen in hun partituur) tijdens het zingen.

Kortom: ik ben afhankelijk van de bereidheid van een groep mensen om mijn instrument te zijn. Die bereidheid gaat ver, want koorleden moeten zich door mij als een instrument laten bespelen. Dat kan echter alleen als ze mij waarnemen, m.a.w. als ze naar mij kijken. En dan niet alleen kijken naar of ik hun inzet wel aangeef, maar vooral kijken naar wat ik uitbeeld aan stemming, karakter en dynamiek. Kijken naar wat ìk in de muziek hoor, en dat óók horen. Dan wordt ècht muziek maken mogelijk, omdat er dan ruimte ontstaat om muziek in het moment te laten ontstaan. Dat is het element van de improvisatie, wat dan komt kijken bij het musiceren. En dat element zou ik er heel graag in willen hebben bij het koor.

Want wat zou dat toch heerlijk zijn. Dat koorleden bij wijze van spreken nooit meer hoeven op te schrijven in hun partij dat het hier zacht moet, of daar sneller of harder. “En vergeten jullie niet dat accent te geven op “fierce” in “fierce love” bij Morley´s “In ev´ry place”? Als ze gewoon naar hun dirigent keken, en aan hem zagen hoe de muziek gezongen moest worden...

Die hele administratie van het interpreteren van muziek, het vastleggen van de interpretatie, is mij enerzijds een gruwel, anderzijds heeft de ervaring geleerd dat een koor toch niet zonder kan.
Het jammere is alleen dat sommige interpretatie-inzichten pas laat tot mij doordringen. Dat heeft ook te maken met de omstandigheid dat ik helaas niet elke dag alleen maar muziek kan maken, waardoor ik veel minder tijd heb om in de stukken af te dalen.
Zo staan wij nu echt vlak voor ons concert, en pas deze week begreep ik van een aantal Morley´s en Regnards hoe ik ze wilde hebben.

Inmiddels komt het woord “interpretatie” wel erg vaak voor in dit stuk, en ik kan wel opbiechten dat ik me er elke keer in vertypte, en dat woord nu even niet meer wil hoeven te gebruiken.

We hebben hard gewerkt tijdens de repetitie van vandaag. Grondig gewerkt, aan de Rilke-stukken vooral, waarvan nu ook de nieuwste 2 eindelijk vaste grond onder de voeten beginnen te krijgen. Hopelijk gaat het allemaal goed aanstaande zondag. Helaas zijn we niet toegekomen aan de Morley´s, die ook op ons schema voor vandaag stonden. Dat is erg jammer, want ook deze stukken hebben alle aandacht nodig die ze kunnen krijgen. En er zijn zoveel details die nog niet uitgewerkt zijn. Als in een verhaal moet elke noot afgewogen zijn, precies passen in de grote lijn. Maar ja, we kunnen alleen doen waar we daadwerkelijk aan toekomen. Het is niet anders.

↑↑

 

9e koor-repetitie: 3 november 2008

Ik weet niet of het iemand zal opvallen (wie leest dit überhaupt?), maar ik weet zelf dat ik voor de voorgaande 3 stukjes nauwelijks tijd had, en dat mijn inspiratie even wat zoek is om dit logboek bij te houden. Wat een tijd kost alles. Volgens mij hebben (b)loggers niet veel andere dingen om handen dan hun blog. Eerst moet je alles gewoon doen, en er dan ook nog iets over schrijven. Beetje dubbel-op denk ik zo nu en dan. En: wat heb je d´r aan?

Niet zeuren verder. Vandaag stonden alle Franse stukken op het programma. De Regnards dus, met de aan hen gekoppelde stukken waarin ik een zekere muzikale verwantschap meen te mogen opmerken. Sommige Regnards hadden we al een tijd niet gedaan, maar na al het geploeter op de Rilke-stukken was het een verademing om even wat ‘eenvoudige’ Renaissancemuziek te zingen. Lekker A Capella ook allemaal, dus geen heen en weer geloop van en naar de piano. Lekker voor het koor staan en dirigeren. Heerlijk.

Voor het eerst ook het hele franstalige blok achter elkaar gedaan. Vraagt toch weer een bepaald soort concentratie, zeker omdat het allemaal relatief korte stukken zijn. Ik heb me geloof ik weer wat moeilijks voorgenomen met het concertprogramma.
Er was zelfs tijd over om “Ich habe viele Brüder” goed door te nemen, omdat dat gisteren echt gigantisch mis ging. Maar de lucht er boven klaarde echt goed op na de aandacht die we er vanavond in konden stoppen. De solist ook achter het koor gezet. Dat bleek inderdaad beter te werken.

↑↑

 

Concert Christengemeenschap: 2 november 2008

Ons concert met muziek op teksten van Rilke sloot aan bij een lezing van Lisette Buisman over het leven van Rilke. Als een soort aanvulling daarop zoomden wij in op de jonge jaren van de dichter: alles wat wij zongen kwam uit “Das Stundenbuch”.

Goed: een aantal dingen ging behoorlijk mis, maar een heleboel is zeer bevlogen over het voetlicht gekomen. Een muisstil en aandachtig publiek van pakweg 30 mensen liet ons een halfuur onze gang gaan. Uit de reacties achteraf bleek dat men het in het algemeen heel mooi gevonden had. Hier en daar natuurlijk wat kritische noten, maar dat nam het bevredigende gevoel niet weg. Heel fijn dat we dit hebben kunnen en mogen doen, ook als opmaat voor ons ‘grote’ concert op 16 november.

↑↑

 

Generale Repetitie: 1 november 2008

Gelukkig konden we de generale repetitie in de kerk van de Christengemeenschap houden. Konden we vast wennen aan de omstandigheden, akoustiek, opstelling. Helaas waren we niet compleet, zonder tenor en met de sopranen op halve kracht, maar het was niet anders.

We hebben bijna 3 uur lang hard geoefend, zwakke plekken herhaald en bijgeschaafd. Het is en wordt een waagstuk om te doen, die 7 stukken van mij op teksten van Rilke. De nieuwste zitten nog steeds niet goed...

↑↑

 

8e koor-repetitie: 27 oktober 2008

Hoewel het voltallige koor aanwezig was deze avond, lukte het niet om het repetitieschema volledig af te werken. “In ev´ry place” van Morley ging nog redelijk, maar we bleven genadeloos steken in de Rilke´s, vooral de 2 nieuwe, die nog niet goed genoeg gekend zijn. Echt makkelijk zijn ze blijkbaar ook niet, hoewel ik zelf het idee had dat dat wel meeviel.

De zenuwen gaan nu ook wat parten spelen, want zowel bij mij als de koorleden zal het besef van het steeds dichterbij komende concert toch een licht panikerende werking hebben. Ook spelen zaken mee die ik hier niet ga noemen, maar waar eventueel een heel boek over geschreven zou kunnen worden.

Er valt verder weinig zinnigs te zeggen over deze avond, dus dat ga ik ook niet doen.

↑↑

 

7e koor-repetitie: 13 oktober 2008

Hoewel er vanavond veel dingen goed gingen, zoals “Sing we and chant it”, was er reden tot bezorgdheid, omdat veel andere dingen totaal de mist in gingen. Waar was de bezielde uitvoering van “Ich liebe meines Wesens Dunkelstunden” van vorige week gebleven? Nergens te bekennen. En ook “Du, Nachbar Gott” niet.

Ik zou een Litanie van Afgronden en Gedoemde Mislukking kunnen gaan afsteken, de koorleden die hun huiswerk niet gedaan hadden vermanend kunnen toespreken of mailen, maar misschien is het beter om deze -in mijn beleving- naar zwart neigende repetitie niet als zodanig vast te leggen en in woorden te ketenen. Beter is het gewoon vooruit te kijken, en niet teveel consequenties aan deze avond te verbinden.

Het hernieuwde besef dat mijn bezieling en belevingswereld niet per se die van anderen is, dat iedereen kortom met zijn of haar eigen werkelijkheid te maken heeft, en dat een gezamenlijk gedragen ideaal nooit alleen van één persoon kan uitgaan, heeft me weer eens flink op mijn neus laten kijken. Wie ben ik om van anderen te verlangen dat ze zich inzetten voor wat ik wil bereiken? Zoiets kan alleen uit vrije wil gebeuren.

Hoewel, behalve vrije wil hebben we natuurlijk wèl de afspraak dat je als lid van het koor de stukken van het repetitieschema zelf instudeert en kent, zeker als je niet op een repetitie aanwezig kan zijn, maar toch vooral als je er wèl bent. Ik snap persoonlijk niet hoe je het niet kennen van de stukken als koorlid kunt verantwoorden naar de koorleden die hun huiswerk wel gedaan hebben. Maar goed, het is makkelijk oordelen vellen over de werkelijkheid waarin anderen leven. Er spelen altijd meer dingen mee dan je kan overzien.

Anderzijds is het een gezonde incasseringsproef voor mijn narcistische kunstenaarsinborst om te ervaren dat als ik vind dat ik uit mijn bloed, zweet en tranen twee prachtige stukken heb geschreven, dat voor anderen niet vanzelfsprekend de motivatie oplevert om het zich eigen te willen maken. Gezonde relativering van de eigendunk.
Daarbij dringt dan wel tot me door hoe geweldig het is dat er ook vele koorleden zijn die wèl blijk geven van voornoemde motivatie. Ik ben hen bijzonder dankbaar voor die belangeloze, maar voor mij en het koor belangrijke inzet.

Het is belangrijk voor ons allemaal dat we goed beseffen dat het vanavond o.a. niet goed ging door het ontbreken van een aantal koorleden, die blijkbaar steunpilaren zijn. Daar zeg ik meteen achter aan, dat iedereen een steunpilaar is, àlle koorleden dragen het geheel, en eigenlijk zijn we alleen “Morgana” als iedereen er is. Ik zou willen dat jullie dat beseffen. Het leuke van een koor (als sociaal verband) is, dat het tegengesteld is aan een ketting: Een koor is zo sterk als de sterkste schakel. Degenen die een sterke schakel zijn, maken van de anderen door hun aanwezigheid ook sterke schakels. Maar dat is alleen zo als alle schakels aanwezig zijn. Daar kan geen ketting tegen op, en dan bedoel ik niet Otto.

Tot slot wil ik nog toevoegen dat ik er van overtuigd ben dat er nog andere factoren een rol speelden bij het niet goed gaan van de repetitie. Men is wel eens moe, er zijn altijd momenten waarin een teveel aan gebeurtenissen opeens ècht een aanslag pleegt op het concentratievermogen, zodat dingen die anders altijd goed gaan, opeens niet goed gaan. Simpelweg omdat het even niet lukt je er werkelijk mee te verbinden. Ik heb geleerd dat niet erg te vinden, maar altijd te blijven zoeken naar de dichtst bijzijnde mogelijkheid om wèl een verbinding met iets aan te gaan. Helaas lukt mij dat ook niet altijd, en ben ik daarin deze repetitie tekort geschoten.

↑↑

 

6e koor-repetitie: 6 oktober 2008

Hoewel het inzingen vandaag met het oog op ons strakke repetitieschema wat te lang duurde (tot ruim kwart over 8), was het een gouden greep, wat mij betreft. Alleen jammer dat ik achteraf nooit meer weet wat ik precies gedaan heb, wanneer iets goed ging. Vermoeiend ook om dat dan weer helemaal uit te gaan pluizen.
Wat ik nog wèl weet, is wat ik van te voren had opgeschreven als inzingoefening:
De noten g1 – bes1 – f1 – g1.

Iedereen dat op langzame achtsten laten zingen. Als je je langzame achtsten voorstelt gaat het toch iets sneller, iets vloeiender dan met langzame kwarten. De noten g1 – bes1 – f1 – g1 dus. Als je die zo achter elkaar zingt als langzame achtsten, is het een mineur-motief, met een modaal aandoende afsluiting. Beetje kalmerend, beetje introvert, beetje met je armen op de vensterbank naar buiten leunend kijken hoe het afkoelt in de avond. En daarbij van binnen wakker worden, gerust gesteld door de herinnering aan alles wat je eigenlijk nog wil doen in je leven. Zo´n motiefje is dat.
En dat dan geleidelijk uitbreiden. Eerst de noten d1 en f1 er bij, dan de noten bes – d1 – f1 als 16e triool, met tot slot een achtste noot bes1 als afsluiting. En dan is het opeens majeur geworden. Van g klein naar Bes groot. Paar keer herhalen, goed variëren met de klinkers waarop gezongen wordt, en dan is het tijd voor een ideetje dat er opeens inschiet: een tweede motief als vervolg. Beginnen op bes1 – d1, dan a1 – c en g1 – bes1 er na, en tot slot een lange f1. Maar iets anders kan ook, is misschien zelfs beter. En dan die 2 zinnetjes in canon. Spelen met zingen, spelend luisteren. En ondertussen ingezongen raken.

Vervolgens de canon “Da pacem domine” (een hele mooie uit Taizé) gedaan. Ja, die met die 3 zinnen met die fantastische opbouw: De eerste zin helemaal op dezelfde toon, de tweede zin met de kwintsprong, en de derde zin met de oktaafsprong.

Direct hierna ging de avond bijna stuk, want het lukte niet met “Ich liebe meines Wesens Dunkelstunden”. Na een paar keer vertwijfeld opnieuw laten beginnen schoot de gedachte door me heen dat het mogelijk zou zijn dat het allemaal niet ging lukken. En opeens voelde ik weer dat akelige dirigentengevoel van op de rand van een afgrond te staan. Dat al je plannen niet zullen lukken, dat het concert niet door kan gaan. Omdat de stukken niet gekend zijn. Omdat de muziek die je schrijft te moeilijk is, of misschien wel eigenlijk helemaal geen muziek is, maar pretentieus geneuzel. Of nog erger: een hobby.
Of hebben andere dirigenten daar geen last van? Ik zou het wel eens willen weten. Ik had er last van, van dat gevoel dat je in je existentie bedreigt wordt. Dat iets je influistert dat het nooit iets kan en zal worden. Ervaring leert dat dit een illusie is, maar dat moet je wel weten. Nou, ik wist het even niet. Een paar vreselijk lange seconden was ik bevangen door het besef dat het één grote mislukking zou worden, dat het een vergissing was om hier voor een koor te staan, en van alles met muziek te willen. Ik had het bijna opgegeven. Rechtsomkeert naar huis. Deur dicht. Maar ik deed het niet. Wat ik wel deed was mijn ogen sluiten voor dat gevoel, en er dwars doorheen lopen. Dat heb ik inmiddels geleerd. Je móet weten dat niets vanzelf gaat. Dat je nooit achterover kan gaan leunen, als dirigent niet, en als niemand niet. De koorleden moeten het weliswaar doen, maar de dirigent moet de koers dragen. Dus: Tanden op elkaar, en de beuk er in. Tot aan de pauze hebben we alleen nog aan dit stuk gewerkt, en uiteindelijk klonk het precies zoals het moest klinken. Jongens, wat zijn jullie goed!

Na de pauze diepten we “Say gentle nymphs” van Morley uit het geheugen op, en dat ging beter dan ik had verwacht. Zo´n licht stuk is dat, alsof iemand steeds over de noten heen uit blijft kijken naar de horizon. Alle noten ook bijna als ballonnen die maar één ding kunnen: opstijgen. G groot met de ruimhartigheid van iemand die geen enkel einde aan de dingen voelt: alles begint alleen maar. Dat heet geloof ik lente.

En toen nog die Rilke 3 (“Ich habe viele Brüder”), waarbij ik deze keer de solo zong, bij gebrek aan een alt solist. Ook deze ging beter dan ik had verwacht. Het probleem van de solist moet wel opgelost worden, want hoewel ik het best leuk vind om te zingen (;-) sta ik werkelijk niet meer te springen om zo op te vallen. Daarnaast vind ik niet dat ik mooi genoeg zing voor zoiets.

Je ne l´ose dire” is er helaas niet van gekomen. Weer een minpuntje op het repetitieschema. Toch denk ik dat we die goed genoeg kennen. Ik gaf de voorkeur aan Rilke 6 (“Du, Nachbar Gott”), die nog wat van zijn nieuwigheid moet verliezen. Nog steeds heeft niemand geraden aan welk deel van een bekende pianosonate van een beroemde componist het laatste deel ervan doet denken. Ik weet het zelf inmiddels ook niet meer. Het is ook maar een verre herinnering aan dat stuk.

↑↑

 

5e koor-repetitie: 29 september 2008

Michaelsdag. Met herfstig weer, na een aantal mooie nazomerdagen, is vandaag het nieuwe koorseizoen echt begonnen. Of eigenlijk vorige week al. Meestal zijn het de eerste 3 repetities van een nieuw seizoen dat het koor nog voortbouwt op wat het zich in het afgelopen seizoen heeft eigen gemaakt. Daarna gaat het haperen. D.w.z. dan begint een nieuwe ontwikkelingscurve. Altijd positief bekijken hoor, de dingen. Alles moet weer opnieuw geïnspireerd worden. Ingebrand, geoefend, bezinken en ingroeien.

Met een nieuwe bas en een nieuwe alt zitten we weer op 12 koorleden. Dat gaat de goede kant op.
Alleen: waar blijft die extra tenor (of twee)?
Helaas was onze enige tenor vandaag ook afwezig. Dat confronteert me elke keer weer met het besef hoe afhankelijk ik als dirigent van mijn koorzangers ben. ´De´ tenor als stemgroep was er vandaag gewoon niet.

Bij het inzingen weer aandacht besteed aan het door de stemgroepen laten rouleren van de tonen van de majeur en mineur drieklank (met toegevoegd oktaaf, dus grondtoon, terts, kwint en oktaaf), en van het dominant septiemakkoord. Geweldige oefening vind ik zelf, die intonatie, solfège, samenklank, ademhaling en kijken naar de dirigent combineert.
Volgende week alsjeblieft niet de oefening vergeten met de liggingen (en omkeringen) van drieklanken.
En dan later ook maar weer eens toonladders en toonreeksen. Het blijven basale dingen die maar weinig koorzangers ècht leren kennen. Goed onderlegde zangers kennen vaak de theoretische opbouw van een dorische kerktoonladder wel, maar het werkelijk kennen van de karakteristieke klank ervan (en van drieklanken etc.) komt toch het beste tot stand door het vaak te horen.

Vandaag werkten we aan “In every place”, weer zo'n grandioos madrigaal van Thomas Morley.
Aandacht besteed aan articulatie en dynamiek, en aan het uitbannen van de verschrikkelijke nederlandse uitspraak van woorden als “gentle” (“dzjentoll”).
De laatste 16 maten zet Morley een motief in, steeds op de 2e tel van de maat, waaruit het beeld oprijst van een ambachtsman die een stuk hout aan het schaven is. Dit vindt plaats op de tekst “O grieve me more”, en elk woord is als een haal met de schaaf. Het effect is, dat de slotnoten ´bevrijd´ klinken (“relieve me”), alsof het materiaal dan perfect glad geschaafd is. Dit is een wonder. En het is ook veel meer dan de wat zuinige term ´tekstuitbeelding´, die vaak wordt gehanteerd in verband met madrigalen. Dit is geen tekstuitbeelding, maar muzikale uitbeelding van levensprocessen, –handelingen en –ervaringen.

Deze overweging brengt me op de vraag of het zo zou zijn dat componisten, net als schilders, geïnspireerd raakten door elementen uit de wereld om hen heen. In eerste instantie denk je: muziek is zo iets onwerelds, dat haalt een componist toch zeker uit zijn innerlijk, daarvoor moet hij zich afzonderen van de wereld. Maar in Morley´s stuk hoor ik gewoon dat hij gekeken heeft naar iemand die een stuk hout aan het schaven was. Hij kent het proces. Hij weet wat dat doet: schaven.
Misschien heeft hij het zelf ook regelmatig gedaan, en probeerde hij het gevoel van dat schaafproces in muziek weer te geven. Ik zou heel graag willen weten of dat werkelijk zo geweest is.

↑↑

 

4e koor-repetitie: 22 september 2008

Na het ge-oliede verloop van de eerste 3 repetities van dit seizoen, was de repetitie van vanavond een kiesknauwer voor de projectmanager die helaas ook in elke dirigent moet huizen, want:
Het is niet gelukt om het repetitieschema volledig af te werken! We zijn niet toegekomen aan het herhalen van “Ich lebe mein Leben”, of zoals ik die noem “Rilke 2”, omdat het muziek is op het 2e gedicht uit “Das Stundenbuch” van Rilke.

Tot overmaat van ramp kom ik er vandaag (donderdag 25 september 2008) achter dat ik de Herfstvakantie verkeerd heb ingepland. Die valt namelijk een week later dan in het schema staat (inmiddels: stond). Ik weet nog dat ik er een vraagteken achter had gezet, omdat ik de exacte data nog niet wist, maar een vraagteken zetten heeft natuurlijk geen zin als ik daarna vergeet dat ik dat ergens bij heb gezet.

Een koor (goed) leiden houdt voor een groot deel in: goed plannen, en ik ben daar ZO slecht in. Zucht.
Toch valt of staat een seizoen met een goede planning....
Maar nu wordt het tijd om wat wezenlijks over de repetitie van vanavond te zeggen, i.p.v. van dit zeurderige blog-geblabber voort te zetten.

Nog beter is het, als je niks wezenlijks kunt zeggen, je mond te houden. Ik heb niks te zeggen over vanavond. Niet dat we niet goed gewerkt hebben, integendeel. We hebben veel gedaan aan “Mille regrets” en “Las je me plains”. We hebben “Die now my heart” herhaald, en we hebben de hele Rilke 5 “Ich liebe meines Wesens Dunkelstunden” als nieuw stuk doorgenomen. De meeste koorleden hadden zich daar goed op voorbereid.

Ik heb niks te zeggen, behalve dat het een wonder mag heten dat ik er was vanavond. De moed was mij in de schoenen gezonken door bepaalde gebeurtenissen, die ik verder niet ga toelichten. Maar ik ging toch, niet van zins mij ook dit laatste bastion van wie ik ooit geweest ben, deze laatste herinnering aan wie ik wilde worden, af te laten nemen. En dat is ook niet gebeurd. Want zie daar: trouwe koorleden zongen de sterren van de hemel, en beurden mij in hun kielzog op. Veel dank daarvoor!

Het enige wat ik nog wil opschrijven voor mijn eigen herinnering is, dat de moeite die ik had met het vinden van het juiste tempo voor “Las je me plains” te maken heeft met onvoorbereid zijn. Ik kon me voor deze repetitie onverwachts niet voorbereiden, en ging dus de mist in bij dit stuk van Francois Regnard.

Voorbereiden is eigenlijk niet meer dan je verbinden met de innerlijke substantie van een muziekstuk vanuit het luisteren. Lukt het me om zo´n verbinding tot stand te brengen, dan hoor ik meteen wat de muziek wil zeggen, en hoe zij zich wil uitdrukken. Daar vloeit dan vanzelf uit voort dat je het passende tempo vindt of kiest. Omdat je dat tempo namelijk innerlijk hoort vanuit de geconcentreerde (meditatieve) verbinding met de muziek.

Sterker nog: Een stuk kan bij wijze van spreken in elk tempo worden uitgevoerd, zolang dat tempo maar door dirigent en zangers innerlijk wordt gehoord, èn nog een ‘gehoorde’ samenhang met de innerlijke substantie van het stuk heeft. Om even de Johan Cruijff onder de koordirigenten uit te hangen: “Elk tempo heb zijn snelheid.”

(Je loopt een rondje door bos of duinen, en ziet ergens een slak het pad oversteken, werkelijk zó verschrikkelijk langzaam, dat je denkt: als ik terugkom is hij nog niet klaar met oversteken. Maar dat is dus wel zo: bij terugkomst zijn zowel de slak als de vliegensvlugge kwikstaart die verderop bezig was uit het bospadtoneel verdwenen, alsof ze er nooit waren. Alsof ze hetzelfde tempo hadden. Maar de enige die dat kan constateren is degene die het pad aflegt in de tijd, van het ene moment naar het andere moment. Hoe snel maakt niet uit, zolang elke stap, elke voortzetting maar daadwerkelijk voltrokken wordt. Zo maak je ook muziek.)

Toch heeft -om mezelf maar even meteen tegen te spreken- elk muziekstuk uiteindelijk voor elke uitvoerder maar één juist tempo. En dat tempo ontdek je alleen door een goede voorbereiding. En die had ik vanavond dus niet.
Maar inmiddels heb ik misschien toch nog iets wezenlijks kunnen zeggen.

↑↑

 

3e koor-repetitie: 15 september 2008

De Bosbeskapel is een mooie zaal, met een goede, behulpzame akoestiek. Alleen de opstelling van het koor blijft lastig, omdat de piano aan de zijkant staat, en de stoelenrijen tot vrij dicht op het podium oprukken. Ik vergeet steeds om goed over de opstelling na te denken.
Vandaag hadden we o.a. generale repetitie voor het concert van a.s. zondag, en dat hebben we in concertopstelling gedaan. D.w.z. Op de traptreden naar het ‘podium’, waar het altaar staat. Gezichten naar de zaal gericht, en in 2 rijen achter elkaar, met -van mij uit gezien- de sopranen links achter, de alten rechts achter, de tenor links voor, en de bassen rechts voor.

Het is onorthodox om de mannen voor te zetten, maar dat is niet de enige reden om het te doen. Ik vind dat het goed klinkt. Toch wil ik er nog wat mee experimenteren, d.w.z. met de vrouwen voor en de mannen achter, of misschien ook eens met een kruislingse verdeling van mannen en vrouwen. Hoe dan ook, het is misschien goed dat ik besluit om voortaan zo de opstelling te hebben: 2 rijen op de traptreden, gezichten frontaal naar de zaal, en ik op de zaalvloer er voor. Dus niet alleen bij naderende concerten, maar altijd. Zodat de koorleden gewend raken aan de andere verhoudingen in de samenklank. Want soms treedt nog wat onzuiverheid op, die vooral zijn oorsprong heeft in het niet goed kunnen horen van elkaar. Of het niet actief genoeg luisteren naar elkaar.

Actief luisteren

Wat is actief luisteren? Wie muziek maakt vult de ruimte met klank. Wie zingt bezielt de ruimte. Maar samen zingen (in een koor) wil ook en vooral zeggen dat je niet alleen ruimte inneemt met je stem, maar ook dat je ruimte vrijlaat om te luisteren, en om de stemmen van de andere zangers toe te laten in de ruimte die jij wilt vullen.
Dat vraagt een zekere wakkerheid, een activiteit van het gehoor, dat daarmee net zo'n belangrijke waarnemer wordt als het oog in ons dagelijkse leven is. Muziek maken is eigenlijk: het leven waarnemen door je gehoor(orgaan). En dat is een heel andere dimensie van waarnemen dan met het oog (gezichtsvermogen), dat in onze cultuur zo'n prominente plek inneemt.

Ergens op deze site staat een citaat van Joseph Haydn: “I listened more than I studied... therefore little by little my knowledge and ability were developed.” Daar zegt hij in zekere zin hetzelfde als wat ik hierboven probeerde te beschrijven, alleen zoveel pregnanter en beter.
Muziek maken, begrijpen en kennen komt neer op luisteren. De noten studeren en kennen is ook nodig, maar eigenlijk alleen om daarna vrij te kunnen luisteren.

Clorinda false klonk vandaag in die zin vrij, er was ruimte om het anders te doen, zonder dat van te voren vast te hebben gelegd. Dat is muziek maken. Er kan dan ook wel eens iets misgaan, maar dat weegt niet op tegen het vrijkomende luisteren.

Misgaan, fouten maken, is sowieso een stadium in het je eigen maken van muziek. Dat geldt zowel voor een individueel musicus, als voor een ensemble als een koor. Ik wil jullie dan ook waarschuwen dat bij de stukken die we goed kennen momenten zullen komen (ook bij uitvoeringen) dat er opeens dingen fout gaan die altijd goed gingen. En daaraan toevoegen dat ik dat niet erg vind. Het is een stadium waar elk stuk in zekere zin doorheen moet.

Terug naar de generale repetitie. Met de stopwatch erbij, bleek dat ik een te lang programma heb samengesteld. Besloten werd om Si je trépasse en Die now my heart te laten vallen.

Alle welche dich suchen ging redelijk goed, zeker de eerste 3 bladzijden (t/m maat 38). Daarna was er wat onduidelijkheid bij tenor en bassen van maat 42 t/m 45, en waren enkelen de 3-kwartsmaat in maat 51 vergeten, waardoor het haperde.

Aan Bonjour mon coeur hebben we hard gewerkt, vooral het 2e -snellere- gedeelte. Veel tempo- en dynamiekdetails vastgelegd, en het staccato of benadrukken van de noten in maat 17 t/m 20. Het begon heel goed te klinken. Alleen het laatste systeem (maat 22 t/m 26) was niet strak genoeg qua ritmiek, zodat het rommelig klonk.

Mille regrets is ook weer een laag dieper gezakt. Aandacht voor de tekstuitbeelding bij bv. de sopranen in maat 8 t/m 12, waar ze een overgebonden (dus langere) noot hebben op de tekst “et d´élonger”, zodat dit ‘langs varen’ hoorbaar wordt.

Morgana en Petite nymfe folatre gingen perfect.

Inzingen
Als canon herhaalden we “I like the flowers”.
Ook herhaalden we nog “Du, Nachbar Gott”, om eens te kijken of het beginlaagje van vorige week nog aanwezig was.
Mij viel meteen op hoeveel verder weg stukken zijn (minder gekend) als ze niet op het repetitieschema staan.

↑↑

 

2e koor-repetitie: 8 september 2008

Onze verdrietige bas was er gelukkig weer, en ook een nieuwe bas, die afgelopen week de stemtest met goed gevolg heeft doorstaan, en nu aan zijn proefperiode van 3 repetities begint. We hadden vandaag 5 stukken op de rol staan, waarvan “Du, Nachbar Gott” een echt nieuw stuk was. Vers gecomponeerd, pas 2 maanden oud. Altijd spannend om een stuk voor het eerst in het echt te horen. Gezongen door echte mensen, gedragen door echte zielen. Ik vond het opvallend goed gaan. De koorleden hebben van het afgelopen jaar geleerd. Niet alleen om zich goed voor te bereiden op een nieuw stuk, ook het luisteren naar elkaar, het afstemmen op elkaar klinkt al door bij de vuurdoop van een nieuw stuk. Dat was vorig jaar nog heel anders. Maar ook ik heb van hun geleerd. Hoe ik beter, praktischer, ‘koriger” kan componeren. Dat de logica van de muziek en de logica van de daadwerkelijke koorpraktijk beter op elkaar afgestemd zijn. Daarnaast heb ik het stuk ook gecomponeerd met deze concrete koorleden in gedachten. “Du, Nachbar Gott” staat nu goed in de grondverf. Hopen dat het houdt...

Verder goed gewerkt aan “Die now my heart” van Morley (zie ook de beschouwingen over het koorrepertoire), waaraan we een hartslag vooraf lieten gaan, en aan “Jouissance vous donnerai” van De Sermisy, waarin we een lucifer afstreken om licht en warmte te laten ontbranden.

Ook het inzingen ging goed, in elk geval beter dan vorige week, want voortkomend uit een daadwerkelijke verbinding met het moment. Als canon deden we “I like the flowers”, een vrolijke wandelriedel vol goedgemutstheid en engels teatimegetrippel.

“Clorinda false” is goed ingesleten, de repeteer-inspanningen van vorig seizoen zijn er hoorbaar in. Alleen ” Si je trépasse” van Regnard had wat opstartproblemen. Die was nog niet zo ver dat ´ie in één keer goed over het voetlicht kwam. En dat moet op 21 september natuurlijk wel gebeuren, tijdens de International Community Fair in het Stadhuis van Den Haag. Maar goed, we hebben nog één repetitie...

↑↑

 

1e koor-repetitie: 1 september 2008

De eerste repetitie van een nieuw koorseizoen is altijd weer even wennen. De routine is wat weggezakt, het popelen is wat sterker, zodat het gevaar bestaat te snel naar het volgende te gaan, of te lang te talmen met het begin.

Inzingen is het begin. Na een goede voorbereiding dan. Ik heb me zelden volgens het boekje voorbereid, en als ik dat wel doe, wijk ik meestal af van wat ik van plan was. Ik krijg altijd ter plekke ideeën over wat op dat moment een passende inzingoefening is.

Terwijl mijn parate muzikale feitenkennis steeds verder wegzakt, vind ik tijdens repetities steeds beter de dingen die gezegd moeten worden, tegemoet komend aan de reële praktijk van het moment. Ik leer zodoende steeds meer te vertrouwen op de intuïtieve kennis, die aangesproken kan worden door een verbonden zijn met het moment.

Zo kwam vandaag bij mij het begrip “elevated speech” naar boven, i.v.m. de uitspraak van teksten, in dit geval bij Morley´s “Die now my heart”.
Gedragen spreken. Niet gezwollen, maar gedragen, opgetild, van zwaarte ontdaan. Dat kan door de energie van het spreken in de klinkers te leggen, en niet in de medeklinkers. Geef ergens een naam aan, en het is opeens iets.

Elevated speech: Zodat je niet
“Daaij laff isz det ent owl auwur hoopp biegaajut” hoort, maar
“Thy love is dead and all our hope beguiled”

Een leuke canon doen... Voor vandaag “Roll your boat...” gekozen. Misschien wat kinderlijk, maar wel een goede opwarmer. En ik herinnerde me het plezier dat mijn zoontje van 3 er een paar weken terug aan had, toen wij in een rubber roeibootje een binnenarm van de Vecht afzakten, en ik het voor hem zong. Hij bleef maar vragen of ik het nog een keer wilde zingen.

Ik ben steeds verbaasd hoe makkelijk dit koor “Alle welche dich suchen” zingt. Van vroegere koren & pogingen herinner ik me vooral de grote moeite die het instuderen kostte, laat staan er iets moois van te maken. Meestal was het een zware zwoegoefening, maar deze groep zangers zingt het weg of het over madeliefjes gaat.

De groep was goed gemutst, vastbesloten en vol van zangzin, ondanks de wat droevige -maar hopelijk tijdelijke- afwezigheid van één van onze bassen, èn de tegenvaller van het -wegens familieomstandigheden- stoppen van één van de alten.
Het koor is klein, en kan blijkbaar nog steeds krimpen zonder de status van koor te verliezen. Maar veel minder dan de huidige 9 moeten het niet worden.

Wat dat betreft is er ook goed nieuws. Want er komt vanaf volgende week een nieuwe bas meedoen. En er heeft zich ook een belangstellende alt aangemeld. Nu nog een tenor erbij...

 

↑↑

 

iris

Dirigent Taco Sorgdrager...

... is al vanaf 1985 actief als koordirigent, en heeft inmiddels ruim 20 jaar ervaring met het dirigeren van koren en ensembles.

Behalve koordirigent is hij ook componist, van vooral koormuziek. Hieronder informatie over waar zijn composities te bekijken en te beluisteren zijn, en ook reacties op sommige van zijn stukken.

A Free-scores.com service - Taco Sorgdrager on Free-scores.com

rode iris

Zoek hier met Google op internet.

portret van Leonard Bernstein

Leonard Bernstein:

“In the olden days, everybody sang. You were expected to sing as well as talk. It was a mark of the cultured man to sing.”.